Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. teruggave:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for teruggave from Dutch to English

teruggave:

teruggave [de ~] nom

  1. de teruggave (weergave)
    the restitution; the reimbursement; the retrocession; the refund; the return; the restoration

Translation Matrix for teruggave:

NounRelated TranslationsOther Translations
refund teruggave; weergave restitutie; terugbetaling
reimbursement teruggave; weergave herstelbetaling; indemnisatie; restitueren; restitutie; schade-uitkering; schadeloosstelling; schadevergoeding; terugbetaling; uitbetalingen bij schade; vergoeden; vergoeding
restitution teruggave; weergave herstelbetaling; indemnisatie; restitutie; schade-uitkering; schadeloosstelling; schadevergoeding; terugbetaling; uitbetalingen bij schade; vergoeding
restoration teruggave; weergave herbouwing; herstel; herstelarbeid; herstelling; reparatie; restauratie; verstelgoed; verstelwerk
retrocession teruggave; weergave
return teruggave; weergave baat; contraprestatie; gewin; oogst; opbrengst; product; profijt; rendement; rentabiliteit; retour; return; tegendienst; tegenprestatie; terugkeer; terugkomst; terugreis; terugwedstrijd; thuiskomst; uitkomst; voortbrengsel; wederdienst; winst
VerbRelated TranslationsOther Translations
refund restitueren
return dateren; keren; omkeren; retourneren; terugbezorgen; terugbrengen; teruggaan; teruggeven; teruggooien; teruggrijpen; terugkeren; terugkomen; terugsturen; terugwerpen; terugzenden; wederkeren; weerkeren
ModifierRelated TranslationsOther Translations
return achteruit; achterwaarts; naar achter; naar achteren; rugwaarts; terug

Related Words for "teruggave":

  • teruggaven

Wiktionary Translations for teruggave:

teruggave
noun
  1. amount of money returned

Cross Translation:
FromToVia
teruggave delivery; handover; transmission; assignment remise — Action de remettre