Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. uitwijken:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for uitwijken from Dutch to English

uitwijken:

uitwijken verbe

  1. uitwijken (toevluchten; schuilen; wegkruipen)
    to shelter; refuge; to hide
    • shelter verbe (shelters, sheltered, sheltering)
    • refuge verbe
    • hide verbe (hides, hid, hiding)
  2. uitwijken (uit de weg gaan)
    to give way
    • give way verbe (gives way, gave way, giving way)
  3. uitwijken (uit een land wijken)
    to go into exile; flee a country
  4. uitwijken (opzij gaan; zwenken)
  5. uitwijken (wegvluchten; vluchten; ontvluchten; ontsnappen; ontkomen)
    to escape
    • escape verbe (escapes, escaped, escaping)

Translation Matrix for uitwijken:

NounRelated TranslationsOther Translations
escape ontsnapping; ontvluchting; uitbraak; uitbreken
hide huid; vel
refuge asiel; haven; hospitium; opvangcentrum; rustpunt; schuilhoek; schuilhol; schuilkelder; schuilplaats; stek; toevlucht; toevluchthaven; toevluchtshaven; toevluchtsoord; uitwijkplaats; verbergplaats; verkeersheuvel; vluchthaven; vluchtheuvel; vluchtoord; vrijplaats; wijkplaats
shelter abri; accommodatie; asiel; behuizing; bescherming; beschutting; hospitium; huisvesting; kwartier; luwte; onderdak; onderkomen; opvangcentrum; protectie; schuilhoek; schuilhol; schuilkelder; schuilplaats; stek; tehuis; toevlucht; toevluchtshaven; toevluchtsoord; verblijfplaats; vrijplaats; wachthuisje; wijkplaats
VerbRelated TranslationsOther Translations
escape ontkomen; ontsnappen; ontvluchten; uitwijken; vluchten; wegvluchten aan iemands aandacht ontgaan; ontgaan; ontglippen; ontkomen; ontschieten; ontsnappen aan; ontvallen; ontvluchten; per ongeluk zeggen; vluchten; wegkomen; weglopen; wegrennen; zich vrijmaken
flee a country uit een land wijken; uitwijken
give way uit de weg gaan; uitwijken begeven; doorbuigen; doorzakken; eraf gaan; flippen; los worden; losgaan; verzakken
go into exile uit een land wijken; uitwijken
hide schuilen; toevluchten; uitwijken; wegkruipen achterhouden; bemantelen; bescherming zoeken; verbergen; verduisteren; verheimelijken; verhullen; verschuilen; versluieren; verstoppen; wegstoppen
move out of the way opzij gaan; uitwijken; zwenken
refuge schuilen; toevluchten; uitwijken; wegkruipen
shelter schuilen; toevluchten; uitwijken; wegkruipen accommoderen; herbergen; huisvesten; huizen; iemand huisvesten; iemand onderdak verlenen; onderbrengen; onderdak geven; onderdak verlenen; onderdak verschaffen; plaatsen

Wiktionary Translations for uitwijken:


Cross Translation:
FromToVia
uitwijken emigrate emigrieren — (intransitiv) sein Heimatland auf Dauer verlassen, um sich in einem anderen Land niederlassen, mit dem Ziel,

External Machine Translations:

Related Translations for uitwijken