Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. kluiven:
  2. kluif:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for kluiven from Dutch to Spanish

kluiven:

kluiven verbe (kluif, kluift, kloof, kloven, gekloven)

  1. kluiven (knauwen)

Conjugations for kluiven:

o.t.t.
  1. kluif
  2. kluift
  3. kluift
  4. kluiven
  5. kluiven
  6. kluiven
o.v.t.
  1. kloof
  2. kloof
  3. kloof
  4. kloven
  5. kloven
  6. kloven
v.t.t.
  1. heb gekloven
  2. hebt gekloven
  3. heeft gekloven
  4. hebben gekloven
  5. hebben gekloven
  6. hebben gekloven
v.v.t.
  1. had gekloven
  2. had gekloven
  3. had gekloven
  4. hadden gekloven
  5. hadden gekloven
  6. hadden gekloven
o.t.t.t.
  1. zal kluiven
  2. zult kluiven
  3. zal kluiven
  4. zullen kluiven
  5. zullen kluiven
  6. zullen kluiven
o.v.t.t.
  1. zou kluiven
  2. zou kluiven
  3. zou kluiven
  4. zouden kluiven
  5. zouden kluiven
  6. zouden kluiven
diversen
  1. kluif!
  2. kluift!
  3. gekloven
  4. kluivend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for kluiven:

NounRelated TranslationsOther Translations
mordisquear oppeuzelen; opvreten
VerbRelated TranslationsOther Translations
mordisquear kluiven; knauwen knabbelen; knagen; knauwen; peuzelen
roer kluiven; knauwen knabbelen; knagen; knauwen; peuzelen

Related Words for "kluiven":


Wiktionary Translations for kluiven:

kluiven
verb
  1. een bot in handen houden en er vlees van afhappen

kluiven form of kluif:

kluif [de ~] nom

  1. de kluif

Translation Matrix for kluif:

NounRelated TranslationsOther Translations
hueso con carne para descarnar kluif

Related Words for "kluif":