Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. kneepje:
  2. kneep:


Dutch

Detailed Translations for kneepje from Dutch to Spanish

kneepje:

kneepje [het ~] nom

  1. het kneepje (truc; kunstje; foefje; kneep; maniertje)
    el truco; la maña; la treta

Translation Matrix for kneepje:

NounRelated TranslationsOther Translations
maña foefje; kneep; kneepje; kunstje; maniertje; truc
treta foefje; kneep; kneepje; kunstje; maniertje; truc foef; kunstgreep; list; manoeuvre; truc; trucage
truco foefje; kneep; kneepje; kunstje; maniertje; truc behendigheid; foef; gemene streek; goochelkunstje; goocheltruc; handigheid; kneep; kunst; kunstgreep; kunstje; list; manoeuvre; toer; truc; trucage; valsheid; vuile truc

Related Words for "kneepje":


kneep:

kneep [de ~] nom

  1. de kneep (truc; kunstje; foefje; kneepje; maniertje)
    el truco; la maña; la treta
  2. de kneep (knijpen)
    el pellizco
  3. de kneep (handigheid; kunst; truc; toer)
    el saber; la habilidad; el truco

Translation Matrix for kneep:

NounRelated TranslationsOther Translations
habilidad handigheid; kneep; kunst; toer; truc adremheid; bedrevenheid; bijdehandheid; doortraptheid; ervaring; geraffineerdheid; geslepenheid; gevatheid; gewiekstheid; gladheid; handigheid; handvaardigheid; kunde; kundigheid; leepheid; listigheid; ondervinden; ondervinding; praktijk; puntig zijn; puntigheid; routine; scherpheid; scherpte; slag; sluwheid; snedigheid; snoodheid; spitsheid; strijd; vaardigheid met de hand; veldslag
maña foefje; kneep; kneepje; kunstje; maniertje; truc
pellizco kneep; knijpen snuifje
saber handigheid; kneep; kunst; toer; truc kunde; kundigheid
treta foefje; kneep; kneepje; kunstje; maniertje; truc foef; kunstgreep; list; manoeuvre; truc; trucage
truco foefje; handigheid; kneep; kneepje; kunst; kunstje; maniertje; toer; truc behendigheid; foef; gemene streek; goochelkunstje; goocheltruc; handigheid; kunst; kunstgreep; kunstje; list; manoeuvre; truc; trucage; valsheid; vuile truc
VerbRelated TranslationsOther Translations
saber gunnen; iets toekennen; in staat zijn; kennen; kunnen; ondervragen; op de hoogte zijn; overhoren; toebedelen; toekennen; toewijzen; uithoren; uitvragen; verhoren; vermogen; weten

Related Words for "kneep":