Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. wegmaken:


Dutch

Detailed Translations for wegmaken from Dutch to Spanish

wegmaken:

wegmaken verbe (maak weg, maakt weg, maakte weg, maakten weg, weggemaakt)

  1. wegmaken (zoekmaken; zoek maken)

Conjugations for wegmaken:

o.t.t.
  1. maak weg
  2. maakt weg
  3. maakt weg
  4. maken weg
  5. maken weg
  6. maken weg
o.v.t.
  1. maakte weg
  2. maakte weg
  3. maakte weg
  4. maakten weg
  5. maakten weg
  6. maakten weg
v.t.t.
  1. heb weggemaakt
  2. hebt weggemaakt
  3. heeft weggemaakt
  4. hebben weggemaakt
  5. hebben weggemaakt
  6. hebben weggemaakt
v.v.t.
  1. had weggemaakt
  2. had weggemaakt
  3. had weggemaakt
  4. hadden weggemaakt
  5. hadden weggemaakt
  6. hadden weggemaakt
o.t.t.t.
  1. zal wegmaken
  2. zult wegmaken
  3. zal wegmaken
  4. zullen wegmaken
  5. zullen wegmaken
  6. zullen wegmaken
o.v.t.t.
  1. zou wegmaken
  2. zou wegmaken
  3. zou wegmaken
  4. zouden wegmaken
  5. zouden wegmaken
  6. zouden wegmaken
diversen
  1. maak weg!
  2. maakt weg!
  3. weggemaakt
  4. wegmakend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for wegmaken:

VerbRelated TranslationsOther Translations
desperdiciar wegmaken; zoek maken; zoekmaken haspelen; kwijt raken; tot een warboel maken; verboemelen; verbrassen; vergieten; verkopen; verkwanselen; verkwisten; verliezen; verprutsen; verspillen; verwarren; wegsmijten