Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. aftroeven:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for aftroeven from Dutch to French

aftroeven:

aftroeven verbe (troef af, troeft af, troefde af, troefden af, afgetroefd)

  1. aftroeven (overtroeven)
    couper; devancer
    • couper verbe (coupe, coupes, coupons, coupez, )
    • devancer verbe (devance, devances, devançons, devancez, )

Conjugations for aftroeven:

o.t.t.
  1. troef af
  2. troeft af
  3. troeft af
  4. troeven af
  5. troeven af
  6. troeven af
o.v.t.
  1. troefde af
  2. troefde af
  3. troefde af
  4. troefden af
  5. troefden af
  6. troefden af
v.t.t.
  1. heb afgetroefd
  2. hebt afgetroefd
  3. heeft afgetroefd
  4. hebben afgetroefd
  5. hebben afgetroefd
  6. hebben afgetroefd
v.v.t.
  1. had afgetroefd
  2. had afgetroefd
  3. had afgetroefd
  4. hadden afgetroefd
  5. hadden afgetroefd
  6. hadden afgetroefd
o.t.t.t.
  1. zal aftroeven
  2. zult aftroeven
  3. zal aftroeven
  4. zullen aftroeven
  5. zullen aftroeven
  6. zullen aftroeven
o.v.t.t.
  1. zou aftroeven
  2. zou aftroeven
  3. zou aftroeven
  4. zouden aftroeven
  5. zouden aftroeven
  6. zouden aftroeven
diversen
  1. troef af!
  2. troeft af!
  3. afgetroefd
  4. aftroevende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

aftroeven [znw.] nom

  1. aftroeven (overtroeven)

Translation Matrix for aftroeven:

NounRelated TranslationsOther Translations
devancement aftroeven; overtroeven
fait de surpasser aftroeven; overtroeven
VerbRelated TranslationsOther Translations
couper aftroeven; overtroeven aanlengen; afbreken; afhakken; afhouwen; afkappen; afknippen; afsluiten; afsnijden; afzetten; besnoeien; beëindigen; breken; coifferen; couperen; doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; een einde maken aan; eindigen; hakken; in stukken hakken; in tweeën houwen; kappen; kerven; klieven; kloven; knippen; kort knippen; kort maken; korten; losrukken; losscheuren; lossnijden; lostrekken; neerhalen; omverhalen; op maat snijden; opensnijden; ophouden; scheiden; slopen; snijden; snijwerk maken; snoeien; splitsen; stoppen; toesnijden; trimmen; troeven; uit elkaar halen; uitdoen; uitdunnen; uiteenhalen; uitmaken; uitschakelen; uitzetten; verdunnen; versnijden; verwateren; wegkappen; wegknippen; wegsnijden; wegsnoeien
devancer aftroeven; overtroeven naar voren staan; vooroprijden; vooruitrijden

Wiktionary Translations for aftroeven:


Cross Translation:
FromToVia
aftroeven assommer lay into — To beat up.
aftroeven rouer de coups; marteler pummel — To hit or strike heavily and repeatedly