Dutch

Detailed Translations for limiteren from Dutch to French

limiteren:

limiteren verbe (limiteer, limiteert, limiteerde, limiteerden, gelimiteerd)

  1. limiteren (beperken; inkapselen; inperken; indammen)
    limiter; englober; comprendre; endiguer; barrer; contenir; envelopper; maîtriser; contrecarrer; s'opposer à; résister à; faire obstacle à
    • limiter verbe (limite, limites, limitons, limitez, )
    • englober verbe (englobe, englobes, englobons, englobez, )
    • comprendre verbe (comprends, comprend, comprenons, comprenez, )
    • endiguer verbe (endigue, endigues, endiguons, endiguez, )
    • barrer verbe (barre, barres, barrons, barrez, )
    • contenir verbe (contiens, contient, contenons, contenez, )
    • envelopper verbe (enveloppe, enveloppes, enveloppons, enveloppez, )
    • maîtriser verbe (maîtrise, maîtrises, maîtrisons, maîtrisez, )
    • contrecarrer verbe (contrecarre, contrecarres, contrecarrons, contrecarrez, )
    • s'opposer à verbe
    • résister à verbe

Conjugations for limiteren:

o.t.t.
  1. limiteer
  2. limiteert
  3. limiteert
  4. limiteren
  5. limiteren
  6. limiteren
o.v.t.
  1. limiteerde
  2. limiteerde
  3. limiteerde
  4. limiteerden
  5. limiteerden
  6. limiteerden
v.t.t.
  1. heb gelimiteerd
  2. hebt gelimiteerd
  3. heeft gelimiteerd
  4. hebben gelimiteerd
  5. hebben gelimiteerd
  6. hebben gelimiteerd
v.v.t.
  1. had gelimiteerd
  2. had gelimiteerd
  3. had gelimiteerd
  4. hadden gelimiteerd
  5. hadden gelimiteerd
  6. hadden gelimiteerd
o.t.t.t.
  1. zal limiteren
  2. zult limiteren
  3. zal limiteren
  4. zullen limiteren
  5. zullen limiteren
  6. zullen limiteren
o.v.t.t.
  1. zou limiteren
  2. zou limiteren
  3. zou limiteren
  4. zouden limiteren
  5. zouden limiteren
  6. zouden limiteren
diversen
  1. limiteer!
  2. limiteert!
  3. gelimiteerd
  4. limiterend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for limiteren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
barrer beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren afbakenen; afpalen; afsluiten; afzetten; barricaderen; begrenzen; blokkeren; doorstrepen; dwarsbomen; dwarsliggen; kruisen; laveren; naar einde toewerken; omlijnen; stremmen; tegen de wind in varen; tegenwerken; versperren
comprendre beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren beginnen te snappen; begrijpen; beslaan; bestaan uit; doorhebben; doorkrijgen; doorzien; doorzien hebben; inleven; invoelen; inzien; meeleven; meerekenen; meetellen; met het verstand vatten; omvatten; ruimte innemen; snappen; verstaan; voelen
contenir beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren afgrenzen; afhouden; bedwingen; begrenzen; beteugelen; bevatten; in bedwang houden; indammen; indijken; inhouden; omvatten; van grenzen voorzien; weren
contrecarrer beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren afhouden; beletten; dwarsbomen; dwarsliggen; een kruis slaan; ervanaf houden; hinderen; kruisen; laveren; onmogelijk maken; storen; tegen de wind in varen; tegengaan; tegenstreven; tegenwerken; verhinderen; weerhouden; weerstreven
endiguer beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren bedijken; indammen; indijken
englober beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren overkoepelen
envelopper beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren bedekken; bemantelen; bijsluiten; bijvoegen; emballeren; hullen; inhullen; inkapselen; inkleden; inpakken; inpalmen; insluiten; inwikkelen; maskeren; om het lijf binden; ombinden; omcirkelen; omhullen; omsingelen; omsluiten; omwikkelen; omwinden; toevoegen; van afsluitende laag voorzien; verhullen; verpakken; versluieren; wikkelen
faire obstacle à beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren belemmeren; beletten; hinderen; onmogelijk maken; storen; verhinderen; voorkomen; voorkómen
limiter beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren afgrenzen; afsluiten; begrenzen; beknotten; beperken; beëindigen; een einde maken aan; eindigen; inperken; ophouden; stoppen; van grenzen voorzien
maîtriser beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; de overhand hebben; domineren; gezaghebben; heersen; in bedwang houden; intomen; leerstof beheersen; macht uitoefenen; matigen; onder de knie hebben; onder gezag brengen; onderdrukken; onderwerpen; overheersen; overmannen; overmeesteren; overweldigen; regeren; terughouden; zich meester maken van
résister à beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren afweren; bestand zijn tegen; iets weerstaan; verdedigen; verweren; weerstaan; weren
s'opposer à beperken; indammen; inkapselen; inperken; limiteren obstructie plegen; opponeren; tegengaan; tegenspreken; tegenstreven; tegenwerken; tegenwerpen; weerstreven

Wiktionary Translations for limiteren:

limiteren
verb
  1. (overgankelijk) beperken, begrenzen, een grens stellen aan