Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. opwikkelen:


Dutch

Detailed Translations for opwikkelen from Dutch to French

opwikkelen:

opwikkelen verbe (wikkel op, wikkelt op, wikkelde op, wikkelden op, opgewikkeld)

  1. opwikkelen (opwinden; haspelen; op een haspel winden; opklossen)
    bobiner; renvider
    • bobiner verbe (bobine, bobines, bobinons, bobinez, )
    • renvider verbe

Conjugations for opwikkelen:

o.t.t.
  1. wikkel op
  2. wikkelt op
  3. wikkelt op
  4. wikkelen op
  5. wikkelen op
  6. wikkelen op
o.v.t.
  1. wikkelde op
  2. wikkelde op
  3. wikkelde op
  4. wikkelden op
  5. wikkelden op
  6. wikkelden op
v.t.t.
  1. heb opgewikkeld
  2. hebt opgewikkeld
  3. heeft opgewikkeld
  4. hebben opgewikkeld
  5. hebben opgewikkeld
  6. hebben opgewikkeld
v.v.t.
  1. had opgewikkeld
  2. had opgewikkeld
  3. had opgewikkeld
  4. hadden opgewikkeld
  5. hadden opgewikkeld
  6. hadden opgewikkeld
o.t.t.t.
  1. zal opwikkelen
  2. zult opwikkelen
  3. zal opwikkelen
  4. zullen opwikkelen
  5. zullen opwikkelen
  6. zullen opwikkelen
o.v.t.t.
  1. zou opwikkelen
  2. zou opwikkelen
  3. zou opwikkelen
  4. zouden opwikkelen
  5. zouden opwikkelen
  6. zouden opwikkelen
en verder
  1. is opgewikkeld
  2. zijn opgewikkeld
diversen
  1. wikkel op!
  2. wikkelt op!
  3. opgewikkeld
  4. opwikkelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for opwikkelen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
bobiner haspelen; op een haspel winden; opklossen; opwikkelen; opwinden ontvellen; stropen
renvider haspelen; op een haspel winden; opklossen; opwikkelen; opwinden