Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. uit elkaar houden:


Dutch

Detailed Translations for uit elkaar houden from Dutch to French

uit elkaar houden:

uit elkaar houden verbe (houd uit elkaar, houdt uit elkaar, hield uit elkaar, hielden uit elkaar, uit elkaar gehouden)

  1. uit elkaar houden (onderscheiden; uiteenhouden)
    distinguer
    • distinguer verbe (distingue, distingues, distinguons, distinguez, )

Conjugations for uit elkaar houden:

o.t.t.
  1. houd uit elkaar
  2. houdt uit elkaar
  3. houdt uit elkaar
  4. houden uit elkaar
  5. houden uit elkaar
  6. houden uit elkaar
o.v.t.
  1. hield uit elkaar
  2. hield uit elkaar
  3. hield uit elkaar
  4. hielden uit elkaar
  5. hielden uit elkaar
  6. hielden uit elkaar
v.t.t.
  1. heb uit elkaar gehouden
  2. hebt uit elkaar gehouden
  3. heeft uit elkaar gehouden
  4. hebben uit elkaar gehouden
  5. hebben uit elkaar gehouden
  6. hebben uit elkaar gehouden
v.v.t.
  1. had uit elkaar gehouden
  2. had uit elkaar gehouden
  3. had uit elkaar gehouden
  4. hadden uit elkaar gehouden
  5. hadden uit elkaar gehouden
  6. hadden uit elkaar gehouden
o.t.t.t.
  1. zal uit elkaar houden
  2. zult uit elkaar houden
  3. zal uit elkaar houden
  4. zullen uit elkaar houden
  5. zullen uit elkaar houden
  6. zullen uit elkaar houden
o.v.t.t.
  1. zou uit elkaar houden
  2. zou uit elkaar houden
  3. zou uit elkaar houden
  4. zouden uit elkaar houden
  5. zouden uit elkaar houden
  6. zouden uit elkaar houden
en verder
  1. ben uit elkaar gehouden
  2. bent uit elkaar gehouden
  3. is uit elkaar gehouden
  4. zijn uit elkaar gehouden
  5. zijn uit elkaar gehouden
  6. zijn uit elkaar gehouden
diversen
  1. houd uit elkaar!
  2. houdt uit elkaar!
  3. uit elkaar gehouden
  4. uit elkaar houdend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uit elkaar houden:

VerbRelated TranslationsOther Translations
distinguer onderscheiden; uit elkaar houden; uiteenhouden aanschouwen; bekijken; bemerken; bespeuren; decoreren; een ereteken geven; een onderscheidingsteken geven; gadeslaan; gewaarworden; horen; kijken; merken; observeren; onderscheid maken; onderscheiden; ontwaren; opmerken; ridderen; signaleren; staren; turen; voelen; waarnemen; zien

External Machine Translations:

Related Translations for uit elkaar houden