Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. uithoesten:


Dutch

Detailed Translations for uithoesten from Dutch to French

uithoesten:

uithoesten verbe (hoest uit, hoestte uit, hoestten uit, uitgehoest)

  1. uithoesten
    cracher; expectorer
    • cracher verbe (crache, craches, crachons, crachez, )
    • expectorer verbe (expectore, expectores, expectorons, expectorez, )

Conjugations for uithoesten:

o.t.t.
  1. hoest uit
  2. hoest uit
  3. hoest uit
  4. hoesten uit
  5. hoesten uit
  6. hoesten uit
o.v.t.
  1. hoestte uit
  2. hoestte uit
  3. hoestte uit
  4. hoestten uit
  5. hoestten uit
  6. hoestten uit
v.t.t.
  1. heb uitgehoest
  2. hebt uitgehoest
  3. heeft uitgehoest
  4. hebben uitgehoest
  5. hebben uitgehoest
  6. hebben uitgehoest
v.v.t.
  1. had uitgehoest
  2. had uitgehoest
  3. had uitgehoest
  4. hadden uitgehoest
  5. hadden uitgehoest
  6. hadden uitgehoest
o.t.t.t.
  1. zal uithoesten
  2. zult uithoesten
  3. zal uithoesten
  4. zullen uithoesten
  5. zullen uithoesten
  6. zullen uithoesten
o.v.t.t.
  1. zou uithoesten
  2. zou uithoesten
  3. zou uithoesten
  4. zouden uithoesten
  5. zouden uithoesten
  6. zouden uithoesten
en verder
  1. ben uitgehoest
  2. bent uitgehoest
  3. is uitgehoest
  4. zijn uitgehoest
  5. zijn uitgehoest
  6. zijn uitgehoest
diversen
  1. hoest uit!
  2. hoestt uit!
  3. uitgehoest
  4. uithoestend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uithoesten:

VerbRelated TranslationsOther Translations
cracher uithoesten braken; fluimen; kotsen; overgeven; reutelen; rochelen; slijm opgeven; slijmen; spugen; spuwen; uitbraken; uitspugen; uitspuwen; vomeren
expectorer uithoesten slijm opgeven