Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. uitlokken:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for uitlokken from Dutch to French

uitlokken:

uitlokken verbe (lok uit, lokt uit, lokte uit, lokten uit, uitgelokt)

  1. uitlokken (aanleiding geven tot; provoceren; ophitsen; uitdagen)
    susciter; inciter à; provoquer
    • susciter verbe (suscite, suscites, suscitons, suscitez, )
    • inciter à verbe
    • provoquer verbe (provoque, provoques, provoquons, provoquez, )

Conjugations for uitlokken:

o.t.t.
  1. lok uit
  2. lokt uit
  3. lokt uit
  4. lokken uit
  5. lokken uit
  6. lokken uit
o.v.t.
  1. lokte uit
  2. lokte uit
  3. lokte uit
  4. lokten uit
  5. lokten uit
  6. lokten uit
v.t.t.
  1. heb uitgelokt
  2. hebt uitgelokt
  3. heeft uitgelokt
  4. hebben uitgelokt
  5. hebben uitgelokt
  6. hebben uitgelokt
v.v.t.
  1. had uitgelokt
  2. had uitgelokt
  3. had uitgelokt
  4. hadden uitgelokt
  5. hadden uitgelokt
  6. hadden uitgelokt
o.t.t.t.
  1. zal uitlokken
  2. zult uitlokken
  3. zal uitlokken
  4. zullen uitlokken
  5. zullen uitlokken
  6. zullen uitlokken
o.v.t.t.
  1. zou uitlokken
  2. zou uitlokken
  3. zou uitlokken
  4. zouden uitlokken
  5. zouden uitlokken
  6. zouden uitlokken
en verder
  1. ben uitgelokt
  2. bent uitgelokt
  3. is uitgelokt
  4. zijn uitgelokt
  5. zijn uitgelokt
  6. zijn uitgelokt
diversen
  1. lok uit!
  2. lokt uit!
  3. uitgelokt
  4. uitlokkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

uitlokken [znw.] nom

  1. uitlokken (provoceren)
    la provocation

Translation Matrix for uitlokken:

NounRelated TranslationsOther Translations
provocation provoceren; uitlokken aanleiding; aanstichting; aanstoken; gevolg; ophitsen; opruiing; opstoken; opstokerij; provocatie; reden; teweegbrengen; teweegbrenging; uitdaging; uitlokking; veroorzaking; verwekking; voortbrenging
VerbRelated TranslationsOther Translations
inciter à aanleiding geven tot; ophitsen; provoceren; uitdagen; uitlokken aanblazen; aandoen; aanjagen; aanrichten; aansporen; aanstichten; aanstoken; aanwakkeren; aanzetten; aanzetten tot; animeren; iets aanstoken; instigeren; motiveren; ontlokken; opjutten; oppoken; opstoken; poken; porren; provoceren; stimuleren; stoken; teweegbrengen; veroorzaken
provoquer aanleiding geven tot; ophitsen; provoceren; uitdagen; uitlokken aandoen; aanrichten; aansporen; aanstichten; aanzetten; aanzetten tot; animeren; instigeren; ontlokken; provoceren; stimuleren; teweegbrengen; veroorzaken; verwekken
susciter aanleiding geven tot; ophitsen; provoceren; uitdagen; uitlokken teweegbrengen; veroorzaken; verwekken

Wiktionary Translations for uitlokken:

uitlokken
Cross Translation:
FromToVia
uitlokken provoquer provoke — to cause to become angry