Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. voorttrekken:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for voorttrekken from Dutch to French

voorttrekken:

voorttrekken verbe

  1. voorttrekken (trekken)
    tirer; tracter; entraîner; traîner
    • tirer verbe (tire, tires, tirons, tirez, )
    • tracter verbe (tracte, tractes, tractons, tractez, )
    • entraîner verbe (entraîne, entraînes, entraînons, entraînez, )
    • traîner verbe (traîne, traînes, traînons, traînez, )

Translation Matrix for voorttrekken:

VerbRelated TranslationsOther Translations
entraîner trekken; voorttrekken aanlokken; africhten; begeleiden; bekwamen; coachen; dier africhten; dresseren; harden; leiden; lokken; meelokken; meeslepen; meesleuren; meetrekken; meetronen; meevoeren; met zich meeslepen; oefenen; ontwikkelen; repeteren; trainen; uitgommen; uitvegen; uitvlakken; uitwissen; verleiden; verlokken; vlakken; voeren; voortlokken; weglokken; wegvegen; wissen
tirer trekken; voorttrekken aantrekken; afschieten; aftrekken; afvuren; dichttrekken; getallen van elkaar aftrekken; naar beneden schieten; neerhalen; neersabelen; omhoogtrekken; opentrekken; prenten; schieten; schoten lossen; sleuren; van het lijf trekken; vuren; zich omhoogtrekken; zich optrekken aan
tracter trekken; voorttrekken
traîner trekken; voorttrekken aanslepen; aarzelen; dralen; drentelen; dubben; flaneren; gebukt gaan onder; lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen; rondlopen; rondlummelen; rondslenteren; rondslingeren; rondwandelen; sjouwen; slenteren; slepen; sleuren; slingeren; talmen; teuten; torsen; treuzelen; verdwaald zijn; versjouwen; verslepen; weifelen; zeulen

Wiktionary Translations for voorttrekken:

voorttrekken