Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. aansprakelijk zijn:


Dutch

Detailed Translations for aansprakelijk zijn from Dutch to Swedish

aansprakelijk zijn:

aansprakelijk zijn verbe (ben aansprakelijk, bent aansprakelijk, is aansprakelijk, was aansprakelijk, waren aansprakelijk, aansprakelijk geweest)

  1. aansprakelijk zijn (aansprakelijk zijn voor; verantwoordelijkheid dragen)
    hålla ansvarig
    • hålla ansvarig verbe (håller ansvarig, höll ansvarig, hållit ansvarig)

Conjugations for aansprakelijk zijn:

o.t.t.
  1. ben aansprakelijk
  2. bent aansprakelijk
  3. is aansprakelijk
  4. zijn aansprakelijk
  5. zijn aansprakelijk
  6. zijn aansprakelijk
o.v.t.
  1. was aansprakelijk
  2. was aansprakelijk
  3. was aansprakelijk
  4. waren aansprakelijk
  5. waren aansprakelijk
  6. waren aansprakelijk
v.t.t.
  1. ben aansprakelijk geweest
  2. bent aansprakelijk geweest
  3. is aansprakelijk geweest
  4. zijn aansprakelijk geweest
  5. zijn aansprakelijk geweest
  6. zijn aansprakelijk geweest
v.v.t.
  1. was aansprakelijk geweest
  2. was aansprakelijk geweest
  3. was aansprakelijk geweest
  4. waren aansprakelijk geweest
  5. waren aansprakelijk geweest
  6. waren aansprakelijk geweest
o.t.t.t.
  1. zal aansprakelijk zijn
  2. zult aansprakelijk zijn
  3. zal aansprakelijk zijn
  4. zullen aansprakelijk zijn
  5. zullen aansprakelijk zijn
  6. zullen aansprakelijk zijn
o.v.t.t.
  1. zou aansprakelijk zijn
  2. zou aansprakelijk zijn
  3. zou aansprakelijk zijn
  4. zouden aansprakelijk zijn
  5. zouden aansprakelijk zijn
  6. zouden aansprakelijk zijn
diversen
  1. ben aansprakelijk!
  2. bent aansprakelijk!
  3. aansprakelijk geweest
  4. aansprakelijk zijnde
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for aansprakelijk zijn:

VerbRelated TranslationsOther Translations
hålla ansvarig aansprakelijk zijn; aansprakelijk zijn voor; verantwoordelijkheid dragen

External Machine Translations:

Related Translations for aansprakelijk zijn