Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. inschatten:


Dutch

Detailed Translations for inschatten from Dutch to Swedish

inschatten:

inschatten verbe (schat in, schatte in, schatten in, ingeschat)

  1. inschatten (bepalen; schatten; afwegen)
    uppskatta
    • uppskatta verbe (uppskattar, uppskattade, uppskattat)

Conjugations for inschatten:

o.t.t.
  1. schat in
  2. schat in
  3. schat in
  4. schatten in
  5. schatten in
  6. schatten in
o.v.t.
  1. schatte in
  2. schatte in
  3. schatte in
  4. schatten in
  5. schatten in
  6. schatten in
v.t.t.
  1. heb ingeschat
  2. hebt ingeschat
  3. heeft ingeschat
  4. hebben ingeschat
  5. hebben ingeschat
  6. hebben ingeschat
v.v.t.
  1. had ingeschat
  2. had ingeschat
  3. had ingeschat
  4. hadden ingeschat
  5. hadden ingeschat
  6. hadden ingeschat
o.t.t.t.
  1. zal inschatten
  2. zult inschatten
  3. zal inschatten
  4. zullen inschatten
  5. zullen inschatten
  6. zullen inschatten
o.v.t.t.
  1. zou inschatten
  2. zou inschatten
  3. zou inschatten
  4. zouden inschatten
  5. zouden inschatten
  6. zouden inschatten
en verder
  1. is ingeschat
diversen
  1. schat in!
  2. schat in!
  3. ingeschat
  4. inschattend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for inschatten:

VerbRelated TranslationsOther Translations
uppskatta afwegen; bepalen; inschatten; schatten appreciëren; begroten; beramen; berekenen; op prijs stellen; ramen; schatten; taxeren; waarderen

Related Translations for inschatten