Dutch

Detailed Translations for leiden from Dutch to Swedish

leiden:

leiden verbe (leid, leidt, leidde, leidden, geleid)

  1. leiden (begeleiden; voeren; meevoeren)
    leda; anföra; dirigera
    • leda verbe (ledar, ledade, ledat)
    • anföra verbe (anför, anförde, anfört)
    • dirigera verbe (dirigerar, dirigerade, dirigerat)
  2. leiden (leiding geven; besturen; aanvoeren; voorzitten; managen)
    kommendera; leda; anföra
    • kommendera verbe (kommenderar, kommenderade, kommenderat)
    • leda verbe (ledar, ledade, ledat)
    • anföra verbe (anför, anförde, anfört)
  3. leiden (bevel voeren over; aanvoeren; commanderen; leidinggeven)
    befalla; kommandera; föra befälet över; föra kommando över
    • befalla verbe (befaller, befallde, befallt)
    • kommandera verbe (kommanderar, kommanderade, kommanderat)
    • föra befälet över verbe (för befälet över, förde befälet över, fört befälet över)
    • föra kommando över verbe (för kommando över, förde kommando över, fört kommando över)

Conjugations for leiden:

o.t.t.
  1. leid
  2. leidt
  3. leidt
  4. leiden
  5. leiden
  6. leiden
o.v.t.
  1. leidde
  2. leidde
  3. leidde
  4. leidden
  5. leidden
  6. leidden
v.t.t.
  1. heb geleid
  2. hebt geleid
  3. heeft geleid
  4. hebben geleid
  5. hebben geleid
  6. hebben geleid
v.v.t.
  1. had geleid
  2. had geleid
  3. had geleid
  4. hadden geleid
  5. hadden geleid
  6. hadden geleid
o.t.t.t.
  1. zal leiden
  2. zult leiden
  3. zal leiden
  4. zullen leiden
  5. zullen leiden
  6. zullen leiden
o.v.t.t.
  1. zou leiden
  2. zou leiden
  3. zou leiden
  4. zouden leiden
  5. zouden leiden
  6. zouden leiden
en verder
  1. ben geleid
  2. bent geleid
  3. is geleid
  4. zijn geleid
  5. zijn geleid
  6. zijn geleid
diversen
  1. leid!
  2. leidt!
  3. geleid
  4. leidend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for leiden:

VerbRelated TranslationsOther Translations
anföra aanvoeren; begeleiden; besturen; leiden; leiding geven; managen; meevoeren; voeren; voorzitten aanhalen; citeren
befalla aanvoeren; bevel voeren over; commanderen; leiden; leidinggeven bevelen; commanderen; decreteren; gebieden; gelasten; opdragen; verordenen
dirigera begeleiden; leiden; meevoeren; voeren dirigeren; orkest dirigeren
föra befälet över aanvoeren; bevel voeren over; commanderen; leiden; leidinggeven
föra kommando över aanvoeren; bevel voeren over; commanderen; leiden; leidinggeven
kommandera aanvoeren; bevel voeren over; commanderen; leiden; leidinggeven gezaghebben; heersen; macht uitoefenen; overheersen; regeren
kommendera aanvoeren; besturen; leiden; leiding geven; managen; voorzitten bevelen; commanderen; decreteren; gebieden; gelasten; opdragen; verordenen
leda aanvoeren; begeleiden; besturen; leiden; leiding geven; managen; meevoeren; voeren; voorzitten vooraanlopen; voorlopen; vooroplopen; vooruitlopen
- voeren

Synonyms for "leiden":


Antonyms for "leiden":


Related Definitions for "leiden":

  1. aangeven wat er moet gebeuren1
    • de voorzitter leidt de vergadering1
  2. vooropgaan of bovenaan staan1
    • Ajax leidt in de eredivisie van het voetbal1
  3. in een bepaalde richting gaan1
    • deze weg leidt naar Amsterdam1

Wiktionary Translations for leiden:


Cross Translation:
FromToVia
leiden kanalisera channel — direct the flow
leiden föra; ledsaga; leda conduct — lead or guide
leiden anföra; leda; förvalta; handha; sköta conduct — direct or manage
leiden ledsaga; hjälpa hand — to lead, guide, or assist with the hand
leiden leda head — (transitive) be in command of
leiden föra; leda lead — guide or conduct with the hand, or by means of some physical contact connection
leiden leda lead — guide or conduct in a certain course
leiden leda lead — go or be in advance of; precede
leiden leda lead — conduct or direct with authority
leiden leda lead — draw or direct by influence
leiden leda lead — intransitive: to guide or conduct
leiden styra manage — to direct or be in charge
leiden leda leiten — die Führung ausüben
leiden leda leiten — etwas in eine bestimmte Richtung/an ein bestimmtes Ziel lenken
leiden utmynna; sluta; föra; leda; öppna sig; suppurera aboutirtoucher par un bout.
leiden föra conduiremener, guider, diriger vers un lieu déterminé.
leiden inreda réglertirer avec la règle des lignes droites sur du papier, du parchemin, du carton, etc. cf|papier réglé.

External Machine Translations:

Related Translations for leiden