Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. uitvorsen:


Dutch

Detailed Translations for uitvorsen from Dutch to Swedish

uitvorsen:

uitvorsen verbe (vors uit, vorst uit, vorste uit, vorsten uit, uitgevorst)

  1. uitvorsen
    utforska; komma till klarhet
    • utforska verbe (utforskar, utforskade, utforskat)
    • komma till klarhet verbe (kommer till klarhet, komm till klarhet, kommit till klarhet)

Conjugations for uitvorsen:

o.t.t.
  1. vors uit
  2. vorst uit
  3. vorst uit
  4. vorsen uit
  5. vorsen uit
  6. vorsen uit
o.v.t.
  1. vorste uit
  2. vorste uit
  3. vorste uit
  4. vorsten uit
  5. vorsten uit
  6. vorsten uit
v.t.t.
  1. heb uitgevorst
  2. hebt uitgevorst
  3. heeft uitgevorst
  4. hebben uitgevorst
  5. hebben uitgevorst
  6. hebben uitgevorst
v.v.t.
  1. had uitgevorst
  2. had uitgevorst
  3. had uitgevorst
  4. hadden uitgevorst
  5. hadden uitgevorst
  6. hadden uitgevorst
o.t.t.t.
  1. zal uitvorsen
  2. zult uitvorsen
  3. zal uitvorsen
  4. zullen uitvorsen
  5. zullen uitvorsen
  6. zullen uitvorsen
o.v.t.t.
  1. zou uitvorsen
  2. zou uitvorsen
  3. zou uitvorsen
  4. zouden uitvorsen
  5. zouden uitvorsen
  6. zouden uitvorsen
en verder
  1. ben uitgevorst
  2. bent uitgevorst
  3. is uitgevorst
  4. zijn uitgevorst
  5. zijn uitgevorst
  6. zijn uitgevorst
diversen
  1. vors uit!
  2. vorst uit!
  3. uitgevorst
  4. uitvorsend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uitvorsen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
komma till klarhet uitvorsen
utforska uitvorsen aftasten; bevoelen; doorvorsen; exploreren; naspeuren; nasporen; onderzoeken; verkennen