Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for depositar from Spanish to Dutch

depositar:

depositar verbe

  1. depositar (transcribir; ingresar; pagar)
    storten; deponeren
    • storten verbe (stort, stortte, stortten, gestort)
    • deponeren verbe (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  2. depositar (poner; situar; deponer; )
    leggen; plaatsen; zetten; deponeren; neerleggen; stationeren; neerzetten
    • leggen verbe (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen verbe (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten verbe (zet, zette, zetten, gezet)
    • deponeren verbe (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • neerleggen verbe (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • stationeren verbe (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • neerzetten verbe (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  3. depositar (verter; arrojar)
    deponeren; neerleggen
    • deponeren verbe (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • neerleggen verbe (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
  4. depositar (guardar; salvar; almacenar)
    opslaan; bewaren; deponeren
    • opslaan verbe (sla op, slaat op, sloeg op, sloegen op, opgeslagen)
    • bewaren verbe (bewaar, bewaart, bewaarde, bewaarden, bewaard)
    • deponeren verbe (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  5. depositar (colocar; poner)
    plaatsen; zetten; bijzetten; neerzetten
    • plaatsen verbe (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten verbe (zet, zette, zetten, gezet)
    • bijzetten verbe (zet bij, zette bij, zetten bij, bijgezet)
    • neerzetten verbe (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  6. depositar
    op rekening storten; bijstorten
  7. depositar (transferir; pasar; remitir; )
    geld overmaken; overschrijven; overboeken; overzenden
    • overschrijven verbe (overschrijf, overschrijft, overschreef, overschreven, overschreven)
    • overboeken verbe (overboek, overboekt, overboekte, overboekten, overboekt)
    • overzenden verbe (zend over, zendt over, zond over, zonden over, overgezonden)
  8. depositar (poner; meter; colocar; situar)
    leggen; plaatsen; neerleggen; deponeren; wegleggen
    • leggen verbe (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen verbe (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • neerleggen verbe (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • deponeren verbe (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • wegleggen verbe (leg weg, legt weg, legde weg, legden weg, weggelegd)
  9. depositar (dejar bajar; dejar; dejar salir; )
    afzetten; laten uitstappen
  10. depositar (destronar; joder; engañar; )
    verneuken
    • verneuken verbe (verneuk, verneukt, verneukte, verneukten, verneukt)
  11. depositar (acotar; cerrar; definir; )
    begrenzen; afbakenen; afzetten; omlijnen; afpalen
    • begrenzen verbe (begrens, begrenst, begrenste, begrensten, begrenst)
    • afbakenen verbe (baken af, bakent af, bakende af, bakenden af, afgebakend)
    • afzetten verbe (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • omlijnen verbe (omlijn, omlijnt, omlijnde, omlijnden, omlijnd)
    • afpalen verbe (paal af, paalt af, paalde af, paalden af, afgepaald)
  12. depositar (cercenar; limitar; vallar; )
    beperken; beknotten
    • beperken verbe (beperk, beperkt, beperkte, beperkten, beperkt)
    • beknotten verbe (beknot, beknotte, beknotten, beknot)
  13. depositar (atrapar; comprender; detener; )
    snappen; betrappen
    • snappen verbe (snap, snapt, snapte, snapten, gesnapt)
    • betrappen verbe (betrap, betrapt, betrapte, betrapten, betrapt)
  14. depositar (poner; encajar; colocar; meter; aplicar)
    leggen; deponeren
    • leggen verbe (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • deponeren verbe (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  15. depositar (aplicar; poner; meter; )
    zetten; plaatsen
    • zetten verbe (zet, zette, zetten, gezet)
    • plaatsen verbe (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
  16. depositar (volver; suspender; dejar caer; )
    seponeren; afzien van rechtsvervolging
  17. depositar (colocarse; insertar; poner; )
    invoegen; inleggen; tussenleggen
    • invoegen verbe (voeg in, voegt in, voegde in, voegden in, ingevoegd)
    • inleggen verbe (leg in, legt in, legde in, legden in, ingelegd)
    • tussenleggen verbe (leg tussen, legt tussen, legde tussen, legden tussen, tussengelegd)

Conjugations for depositar:

presente
  1. deposito
  2. depositas
  3. deposita
  4. depositamos
  5. depositáis
  6. depositan
imperfecto
  1. depositaba
  2. depositabas
  3. depositaba
  4. depositábamos
  5. depositabais
  6. depositaban
indefinido
  1. deposité
  2. depositaste
  3. depositó
  4. depositamos
  5. depositasteis
  6. depositaron
fut. de ind.
  1. depositaré
  2. depositarás
  3. depositará
  4. depositaremos
  5. depositaréis
  6. depositarán
condic.
  1. depositaría
  2. depositarías
  3. depositaría
  4. depositaríamos
  5. depositaríais
  6. depositarían
pres. de subj.
  1. que deposite
  2. que deposites
  3. que deposite
  4. que depositemos
  5. que depositéis
  6. que depositen
imp. de subj.
  1. que depositara
  2. que depositaras
  3. que depositara
  4. que depositáramos
  5. que depositarais
  6. que depositaran
miscelánea
  1. ¡deposita!
  2. ¡depositad!
  3. ¡no deposites!
  4. ¡no depositéis!
  5. depositado
  6. depositando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

depositar [el ~] nom

  1. el depositar (colocar; dejar)
    neerzetten

External Machine Translations:
Images:

Related Translations for depositar



Remove Ads

Remove Ads