Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for permitir from Spanish to Dutch

permitir:

permitir verbe

  1. permitir (autorizar; acceder; conferir)
    toestaan; toestemmen; goed vinden
    • toestaan verbe (sta toe, staat toe, stond toer, stonden toe, toegestaan)
    • toestemmen verbe (stem toe, stemt toe, stemde toe, stemden toe, toegestemd)
    • goed vinden verbe
  2. permitir (dejar; darse el lujo de; admitir; consentir; permitirse)
    laten; toelaten; permitteren
    • laten verbe (laat, liet, lieten, gelaten)
    • toelaten verbe (laat toe, liet toe, lieten toe, toegelaten)
    • permitteren verbe (permitteer, permitteert, permitteerde, permitteerden, gepermitteerd)
  3. permitir (accedido; acceder; autorizar; acceder a)
    instemmen; akkoord gaan
    • instemmen verbe (stem in, stemt in, stemde in, stemden in, ingestemd)
    • akkoord gaan verbe (ga akkoord, gaat akkoord, ging akkoord, gingen akkoord, akkoord gegaan)
  4. permitir
    permitteren; veroorloven
    • permitteren verbe (permitteer, permitteert, permitteerde, permitteerden, gepermitteerd)
    • veroorloven verbe (veroorloof, veroorlooft, veroorloofde, veroorloofden, veroorloofd)
  5. permitir
    aanleunen; zich laten welgevallen
  6. permitir
  7. permitir
    toestaan
    • toestaan verbe (sta toe, staat toe, stond toer, stonden toe, toegestaan)
  8. permitir (conceder; otorgar; admitir; consentir; autorizar)
    vergunnen; verlenen; toekennen
    • vergunnen verbe (vergun, vergunt, vergunde, vergunden, vergund)
    • verlenen verbe (verleen, verleent, verleende, verleenden, verleend)
    • toekennen verbe (ken toe, kent toe, kende toe, kenden toe, toegekend)
  9. permitir (autorizar)
    vergunnen; autoriseren
    • vergunnen verbe (vergun, vergunt, vergunde, vergunden, vergund)
    • autoriseren verbe (autoriseer, autoriseert, autoriseerde, autoriseerden, geautoriseerd)
  10. permitir (repartir; encuestar; ceder; )
    toewijzen; toekennen; gunnen; toebedelen; iets toekennen
    • toewijzen verbe (wijs toe, wijst toe, wees toe, wezen toe, toegewezen)
    • toekennen verbe (ken toe, kent toe, kende toe, kenden toe, toegekend)
    • gunnen verbe (gun, gunt, gunde, gunden, gegund)
    • toebedelen verbe (bedeel toe, bedeelt toe, bedeelde toe, bedeelden toe, toebedeeld)
  11. permitir (tolerar; aceptar)
    accepteren; aanvaarden; voor lief nemen; zich laten gevallen
  12. permitir (aguantar)

Conjugations for permitir:

presente
  1. permito
  2. permites
  3. permite
  4. permitimos
  5. permitís
  6. permiten
imperfecto
  1. permitía
  2. permitías
  3. permitía
  4. permitíamos
  5. permitíais
  6. permitían
indefinido
  1. permití
  2. permitiste
  3. permitió
  4. permitimos
  5. permitisteis
  6. permitieron
fut. de ind.
  1. permitiré
  2. permitirás
  3. permitirá
  4. permitiremos
  5. permitiréis
  6. permitirán
condic.
  1. permitiría
  2. permitirías
  3. permitiría
  4. permitiríamos
  5. permitiríais
  6. permitirían
pres. de subj.
  1. que permita
  2. que permitas
  3. que permita
  4. que permitamos
  5. que permitáis
  6. que permitan
imp. de subj.
  1. que permitiera
  2. que permitieras
  3. que permitiera
  4. que permitiéramos
  5. que permitierais
  6. que permitieran
miscelánea
  1. ¡permite!
  2. ¡permitid!
  3. ¡no permitas!
  4. ¡no permitáis!
  5. permitido
  6. permitiendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "permitir":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads