Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. afschuiven:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for afschuiven from Dutch to English

afschuiven:

afschuiven verbe (schuif af, schuift af, schoof af, schoven af, afgeshoven)

  1. afschuiven
    pass the buck; shift onto; to push off

Conjugations for afschuiven:

o.t.t.
  1. schuif af
  2. schuift af
  3. schuift af
  4. schuiven af
  5. schuiven af
  6. schuiven af
o.v.t.
  1. schoof af
  2. schoof af
  3. schoof af
  4. schoven af
  5. schoven af
  6. schoven af
v.t.t.
  1. heb afgeshoven
  2. hebt afgeshoven
  3. heeft afgeshoven
  4. hebben afgeshoven
  5. hebben afgeshoven
  6. hebben afgeshoven
v.v.t.
  1. had afgeshoven
  2. had afgeshoven
  3. had afgeshoven
  4. hadden afgeshoven
  5. hadden afgeshoven
  6. hadden afgeshoven
o.t.t.t.
  1. zal afschuiven
  2. zult afschuiven
  3. zal afschuiven
  4. zullen afschuiven
  5. zullen afschuiven
  6. zullen afschuiven
o.v.t.t.
  1. zou afschuiven
  2. zou afschuiven
  3. zou afschuiven
  4. zouden afschuiven
  5. zouden afschuiven
  6. zouden afschuiven
diversen
  1. schuif af!
  2. schuift af!
  3. afgeshoven
  4. afschuivende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

afschuiven [znw.] nom

  1. afschuiven (wegschuiven)
    the shifting away; the sliding away

Translation Matrix for afschuiven:

NounRelated TranslationsOther Translations
shifting away afschuiven; wegschuiven
sliding away afschuiven; wegschuiven
VerbRelated TranslationsOther Translations
pass the buck afschuiven
push off afschuiven afduwen; afstoten; eraf duwen; erafschoppen; inrukken; opdonderen; ophoepelen; opkrassen; oplazeren
shift onto afschuiven
ModifierRelated TranslationsOther Translations
push off heen; ksst; vort; weg

Wiktionary Translations for afschuiven:

afschuiven
verb
  1. to deform because of shearing forces