Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. inkankeren:


Dutch

Detailed Translations for inkankeren from Dutch to English

inkankeren:

inkankeren verbe (kanker in, kankert in, kankerde in, kankerden in, ingekankerd)

  1. inkankeren
    to swear; to fester; ulcerates

Conjugations for inkankeren:

o.t.t.
  1. kanker in
  2. kankert in
  3. kankert in
  4. kankeren in
  5. kankeren in
  6. kankeren in
o.v.t.
  1. kankerde in
  2. kankerde in
  3. kankerde in
  4. kankerden in
  5. kankerden in
  6. kankerden in
v.t.t.
  1. heb ingekankerd
  2. hebt ingekankerd
  3. heeft ingekankerd
  4. hebben ingekankerd
  5. hebben ingekankerd
  6. hebben ingekankerd
v.v.t.
  1. had ingekankerd
  2. had ingekankerd
  3. had ingekankerd
  4. hadden ingekankerd
  5. hadden ingekankerd
  6. hadden ingekankerd
o.t.t.t.
  1. zal inkankeren
  2. zult inkankeren
  3. zal inkankeren
  4. zullen inkankeren
  5. zullen inkankeren
  6. zullen inkankeren
o.v.t.t.
  1. zou inkankeren
  2. zou inkankeren
  3. zou inkankeren
  4. zouden inkankeren
  5. zouden inkankeren
  6. zouden inkankeren
en verder
  1. is ingekankerd
diversen
  1. kanker in!
  2. kankert in!
  3. ingekankerd
  4. inkankerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for inkankeren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
fester inkankeren etteren; pus afscheiden
swear inkankeren een eed afleggen; een eed doen; ketteren; vloeken; zweren
ulcerates inkankeren