Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. omschudden:


Dutch

Detailed Translations for omschudden from Dutch to English

omschudden:

omschudden verbe (schud om, schudt om, schudde om, schudden om, omgeschud)

  1. omschudden
    to shake
    • shake verbe (shakes, shook, shaking)

Conjugations for omschudden:

o.t.t.
  1. schud om
  2. schudt om
  3. schudt om
  4. schudden om
  5. schudden om
  6. schudden om
o.v.t.
  1. schudde om
  2. schudde om
  3. schudde om
  4. schudden om
  5. schudden om
  6. schudden om
v.t.t.
  1. heb omgeschud
  2. hebt omgeschud
  3. heeft omgeschud
  4. hebben omgeschud
  5. hebben omgeschud
  6. hebben omgeschud
v.v.t.
  1. had omgeschud
  2. had omgeschud
  3. had omgeschud
  4. hadden omgeschud
  5. hadden omgeschud
  6. hadden omgeschud
o.t.t.t.
  1. zal omschudden
  2. zult omschudden
  3. zal omschudden
  4. zullen omschudden
  5. zullen omschudden
  6. zullen omschudden
o.v.t.t.
  1. zou omschudden
  2. zou omschudden
  3. zou omschudden
  4. zouden omschudden
  5. zouden omschudden
  6. zouden omschudden
en verder
  1. ben omgeschud
  2. bent omgeschud
  3. is omgeschud
  4. zijn omgeschud
  5. zijn omgeschud
  6. zijn omgeschud
diversen
  1. schud om!
  2. schudt om!
  3. omgeschud
  4. omschuddend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for omschudden:

NounRelated TranslationsOther Translations
shake bibberen; hort; milkshake; rillen; schok; schokkende beweging; stoot; tremor; triller; trilling
VerbRelated TranslationsOther Translations
shake omschudden beven; bibberen; heen en weer bewegen; laten schrikken; rillen; schokken; schudden; sidderen; trillen; vibreren