Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. overbluffen:


Dutch

Detailed Translations for overbluffen from Dutch to English

overbluffen:

overbluffen verbe (overbluf, overbluft, overblufte, overbluften, overbluft)

  1. overbluffen (overdonderen)
    to daze; stupify; to overcome
    • daze verbe (dazes, dazed, dazing)
    • stupify verbe
    • overcome verbe (overcomes, overcame, overcoming)

Conjugations for overbluffen:

o.t.t.
  1. overbluf
  2. overbluft
  3. overbluft
  4. overbluffen
  5. overbluffen
  6. overbluffen
o.v.t.
  1. overblufte
  2. overblufte
  3. overblufte
  4. overbluften
  5. overbluften
  6. overbluften
v.t.t.
  1. heb overbluft
  2. hebt overbluft
  3. heeft overbluft
  4. hebben overbluft
  5. hebben overbluft
  6. hebben overbluft
v.v.t.
  1. had overbluft
  2. had overbluft
  3. had overbluft
  4. hadden overbluft
  5. hadden overbluft
  6. hadden overbluft
o.t.t.t.
  1. zal overbluffen
  2. zult overbluffen
  3. zal overbluffen
  4. zullen overbluffen
  5. zullen overbluffen
  6. zullen overbluffen
o.v.t.t.
  1. zou overbluffen
  2. zou overbluffen
  3. zou overbluffen
  4. zouden overbluffen
  5. zouden overbluffen
  6. zouden overbluffen
en verder
  1. ben overbluft
  2. bent overbluft
  3. is overbluft
  4. zijn overbluft
  5. zijn overbluft
  6. zijn overbluft
diversen
  1. overbluf!
  2. overbluft!
  3. overbluft
  4. overbluffend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for overbluffen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
daze overbluffen; overdonderen verblinden
overcome overbluffen; overdonderen onderkrijgen; overmannen; overmeesteren; overweldigen; overwinnen; te boven komen; verslaan; winnen; zich meester maken van
stupify overbluffen; overdonderen
ModifierRelated TranslationsOther Translations
overcome bevangen