Dutch

Detailed Translations for verweken from Dutch to Spanish

verweken:

verweken verbe (verweek, verweekt, verweekte, verweekten, verweekt)

  1. verweken (ontharden; zachtmaken)
  2. verweken (week maken; ontharden; weken; zachtmaken; in de week zetten)
  3. verweken (week worden)

Conjugations for verweken:

o.t.t.
  1. verweek
  2. verweekt
  3. verweekt
  4. verweken
  5. verweken
  6. verweken
o.v.t.
  1. verweekte
  2. verweekte
  3. verweekte
  4. verweekten
  5. verweekten
  6. verweekten
v.t.t.
  1. ben verweekt
  2. bent verweekt
  3. is verweekt
  4. zijn verweekt
  5. zijn verweekt
  6. zijn verweekt
v.v.t.
  1. was verweekt
  2. was verweekt
  3. was verweekt
  4. waren verweekt
  5. waren verweekt
  6. waren verweekt
o.t.t.t.
  1. zal verweken
  2. zult verweken
  3. zal verweken
  4. zullen verweken
  5. zullen verweken
  6. zullen verweken
o.v.t.t.
  1. zou verweken
  2. zou verweken
  3. zou verweken
  4. zouden verweken
  5. zouden verweken
  6. zouden verweken
diversen
  1. verweek!
  2. verweekt!
  3. verweekt
  4. verwekend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for verweken:

NounRelated TranslationsOther Translations
remojar inweken; weken
VerbRelated TranslationsOther Translations
ablandar in de week zetten; ontharden; verweken; week maken; week worden; weken; zachtmaken lenigen; verlichten; vermurwen; vervriendelijken; verzachten
enternecer verweken; week worden vermurwen; vertederen
enternecerse verweken; week worden
poner a remojar in de week zetten; ontharden; verweken; week maken; weken; zachtmaken
poner en remojo in de week zetten; ontharden; verweken; week maken; weken; zachtmaken
remojar in de week zetten; ontharden; verweken; week maken; weken; zachtmaken dippen; inweken
suavizar ontharden; verweken; zachtmaken lenigen; verlichten; vermurwen; vervriendelijken; verzachten