Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. topper:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for topper from Dutch to French

topper:

topper [de ~ (m)] nom

  1. de topper (absolute meevaller; klapper)
    l'aubaine; le coup de chance
  2. de topper (succesnummer; succes; hit; )
    le succè; le tube

Translation Matrix for topper:

NounRelated TranslationsOther Translations
aubaine absolute meevaller; klapper; topper aanbieding; buitenkans; buitenkansje; fortuin; fortuintje; geluk; gelukje; gelukkig toeval; gelukkigheid; gelukstreffer; het gelukkig-zijn; koopje; mazzeltje; meevaller; meevallertje; opsteker; spotkoopje; toevalstreffer; tref; treffer; voordeel; voordeeltje
coup de chance absolute meevaller; klapper; topper buitenkansje; gelukje; gelukkig toeval; geluksstoot; gelukstreffer; mazzeltje; meevaller; opsteker; toevalstreffer; treffer; voordeel
succè hit; kasstuk; klapper; kraker; schlager; succes; succesnummer; successtuk; topper; treffer
tube hit; kasstuk; klapper; kraker; schlager; succes; succesnummer; successtuk; topper; treffer bestseller; buis; buisje; fiool; flacon; flesje; hit; succes; successtuk; tube

Related Words for "topper":


Wiktionary Translations for topper:

topper
noun
  1. ornithol|fr Espèce d'oiseau palmipède de la famille des anatidés, un petit canard plongeur, à bec bleu et aux yeux jaunes dont le mâle à la tête foncée, la poitrine et la queue noires, le dos clair et le ventre blanc.

Cross Translation:
FromToVia
topper fuligule milouinan greater scaup — Aythya marila
topper comble Spitzeübertragen: Höhepunkt