Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. inslaan:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for inslaan from Dutch to Swedish

inslaan:

inslaan verbe (sla in, slaat in, sloeg in, sloegen in, ingeslagen)

  1. inslaan (stukslaan; aan stukken slaan; verbrijzelen; kapotslaan)
    slå sönder; slå i bitar
    • slå sönder verbe (slår sönder, slog sönder, slagit sönder)
    • slå i bitar verbe (slår i bitar, slog i bitar, slagit i bitar)
  2. inslaan (winkelen; boodschappen doen; inkopen; inkopen doen)
    gå och handla; åka och handla
    • gå och handla verbe (går och handlar, gick och handlade, gått och handlat)
    • åka och handla verbe (åker och handla, åkte och handla, åkt och handla)

Conjugations for inslaan:

o.t.t.
  1. sla in
  2. slaat in
  3. slaat in
  4. slaan in
  5. slaan in
  6. slaan in
o.v.t.
  1. sloeg in
  2. sloeg in
  3. sloeg in
  4. sloegen in
  5. sloegen in
  6. sloegen in
v.t.t.
  1. ben ingeslagen
  2. bent ingeslagen
  3. is ingeslagen
  4. zijn ingeslagen
  5. zijn ingeslagen
  6. zijn ingeslagen
v.v.t.
  1. was ingeslagen
  2. was ingeslagen
  3. was ingeslagen
  4. waren ingeslagen
  5. waren ingeslagen
  6. waren ingeslagen
o.t.t.t.
  1. zal inslaan
  2. zult inslaan
  3. zal inslaan
  4. zullen inslaan
  5. zullen inslaan
  6. zullen inslaan
o.v.t.t.
  1. zou inslaan
  2. zou inslaan
  3. zou inslaan
  4. zouden inslaan
  5. zouden inslaan
  6. zouden inslaan
en verder
  1. heb ingeslagen
  2. hebt ingeslagen
  3. heeft ingeslagen
  4. hebben ingeslagen
  5. hebben ingeslagen
  6. hebben ingeslagen
diversen
  1. sla in!
  2. slaat in!
  3. ingeslagen
  4. inslaand
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for inslaan:

VerbRelated TranslationsOther Translations
gå och handla boodschappen doen; inkopen; inkopen doen; inslaan; winkelen
slå i bitar aan stukken slaan; inslaan; kapotslaan; stukslaan; verbrijzelen aan stukken breken; aan stukken vallen; breken; kapotgooien; stukbreken; stukgooien; stukvallen
slå sönder aan stukken slaan; inslaan; kapotslaan; stukslaan; verbrijzelen breken; fijnmaken; in de prak rijden; in stukken breken; kapotbreken; kapotgooien; platdrukken; smashen; stukgooien; verbrijzelen; vergruizen; vermorzelen; verpletteren
åka och handla boodschappen doen; inkopen; inkopen doen; inslaan; winkelen

Wiktionary Translations for inslaan:


Cross Translation:
FromToVia
inslaan ernå atteindretoucher de loin au moyen d’un projectile.
inslaan ; uppnå parvenir — Arriver à un point donné à la suite d’un déplacement. (Sens général)