Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. kelder:
  2. kelderen:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for kelder from Dutch to Swedish

kelder:

kelder [de ~ (m)] nom

  1. de kelder (gewelf)
    källare

Translation Matrix for kelder:

NounRelated TranslationsOther Translations
källare gewelf; kelder dorpscafé; kelderruimte; kelderverdieping; souterrain

Related Words for "kelder":


Related Definitions for "kelder":

  1. donkere, koele ruimte onder een huis1
    • de wijn bewaren we in de kelder1

Wiktionary Translations for kelder:


Cross Translation:
FromToVia
kelder källare basement — floor below ground level
kelder valv vault — a secure, enclosed area
kelder källare Keller — unterirdischer Vorratsraum
kelder källare caveétage souterrain d'une construction quelconque.

kelderen:

kelderen verbe (kelder, keldert, kelderde, kelderden, gekelderd)

  1. kelderen (zakken)
    slänga; kasta
    • slänga verbe (slänger, slängde, slängt)
    • kasta verbe (kastar, kastade, kastat)
  2. kelderen (sterk in waarde dalen)
    störta; rasa; sjunka i värde
    • störta verbe (störtar, störtade, störtat)
    • rasa verbe (rasar, rasade, rasat)
    • sjunka i värde verbe (sjunker i värde, sjönk i värde, sjunkit i värde)
  3. kelderen (tuimelen; vallen; flikkeren; kiepen; kieperen)
    tumla
    • tumla verbe (tumlar, tumlade, tumlat)

Conjugations for kelderen:

o.t.t.
  1. kelder
  2. keldert
  3. keldert
  4. kelderen
  5. kelderen
  6. kelderen
o.v.t.
  1. kelderde
  2. kelderde
  3. kelderde
  4. kelderden
  5. kelderden
  6. kelderden
v.t.t.
  1. ben gekelderd
  2. bent gekelderd
  3. is gekelderd
  4. zijn gekelderd
  5. zijn gekelderd
  6. zijn gekelderd
v.v.t.
  1. was gekelderd
  2. was gekelderd
  3. was gekelderd
  4. waren gekelderd
  5. waren gekelderd
  6. waren gekelderd
o.t.t.t.
  1. zal kelderen
  2. zult kelderen
  3. zal kelderen
  4. zullen kelderen
  5. zullen kelderen
  6. zullen kelderen
o.v.t.t.
  1. zou kelderen
  2. zou kelderen
  3. zou kelderen
  4. zouden kelderen
  5. zouden kelderen
  6. zouden kelderen
en verder
  1. heb gekelderd
  2. hebt gekelderd
  3. heeft gekelderd
  4. hebben gekelderd
  5. hebben gekelderd
  6. hebben gekelderd
diversen
  1. kelder!
  2. keldert!
  3. gekelderd
  4. kelderend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for kelderen:

NounRelated TranslationsOther Translations
kasta gesmijt; gooi; handeling van gooien; worp
kraftigt sjunkande inzakken; kelderen; sterk in waarde dalen; terugvallen
störta landing; terechtkomen; tuimelen; val; vallen
VerbRelated TranslationsOther Translations
kasta kelderen; zakken afsmijten; afwerpen; gooien; keilen; ontdoen; slingeren; smijten; sodemieteren; zich van iets ontdoen
rasa kelderen; sterk in waarde dalen donderen; fulmineren; inkalven; ketteren; razen; robbedoezen; steil afhellen; te keer gaan; tekeergaan; tieren; uit de slof schieten; uitvaren; woeden
sjunka i värde kelderen; sterk in waarde dalen
slänga kelderen; zakken eruit werken; keilen; ontdoen; rukken; smijten; sodemieteren; trekken; zich van iets ontdoen
störta kelderen; sterk in waarde dalen naar beneden storten; neerstorten; neervallen; op de grond vallen; steil afhellen; steil vallen; stormlopen
tumla flikkeren; kelderen; kiepen; kieperen; tuimelen; vallen spartelen

Related Words for "kelderen":


Wiktionary Translations for kelderen:


Cross Translation:
FromToVia
kelderen kantra founder — to sink

Related Translations for kelder