Summary


Dutch

Detailed Translations for uitzenden from Dutch to Swedish

uitzenden:

uitzenden verbe (zend uit, zendt uit, zond uit, zonden uit, uitgezonden)

  1. uitzenden (rondstralen; uitstralen; zenden)
    sända; stråla ut
    • sända verbe (sänder, sändde, sänt)
    • stråla ut verbe (strålar ut, strålade ut, strålat ut)
  2. uitzenden (tewerkstellen; detacheren)
    anställa; sätta i arbete; hyra; engagera; ta i tjänst
    • anställa verbe (anställer, anställde, anställt)
    • sätta i arbete verbe (sätter i arbete, satte i arbete, satt i arbete)
    • hyra verbe (hyr, hyrde, hyrt)
    • engagera verbe (engagerar, engagerade, engagerat)
    • ta i tjänst verbe (tar i tjänst, tog i tjänst, tagit i tjänst)
  3. uitzenden (rondstrooien; verspreiden; verdeler; )
    strö; stänka; utströ
    • strö verbe (strör, strödde, strött)
    • stänka verbe (stänker, stänkte, stänkt)
    • utströ verbe (utströr, utströdde, utstrött)
  4. uitzenden
    sända
    • sända verbe (sänder, sändde, sänt)

Conjugations for uitzenden:

o.t.t.
  1. zend uit
  2. zendt uit
  3. zendt uit
  4. zenden uit
  5. zenden uit
  6. zenden uit
o.v.t.
  1. zond uit
  2. zond uit
  3. zond uit
  4. zonden uit
  5. zonden uit
  6. zonden uit
v.t.t.
  1. ben uitgezonden
  2. bent uitgezonden
  3. is uitgezonden
  4. zijn uitgezonden
  5. zijn uitgezonden
  6. zijn uitgezonden
v.v.t.
  1. was uitgezonden
  2. was uitgezonden
  3. was uitgezonden
  4. waren uitgezonden
  5. waren uitgezonden
  6. waren uitgezonden
o.t.t.t.
  1. zal uitzenden
  2. zult uitzenden
  3. zal uitzenden
  4. zullen uitzenden
  5. zullen uitzenden
  6. zullen uitzenden
o.v.t.t.
  1. zou uitzenden
  2. zou uitzenden
  3. zou uitzenden
  4. zouden uitzenden
  5. zouden uitzenden
  6. zouden uitzenden
diversen
  1. zend uit!
  2. zendt uit!
  3. uitgezonden
  4. uitzendend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uitzenden:

NounRelated TranslationsOther Translations
hyra huurcontract; pacht
strö pamflet; stencil; strooibiljet
VerbRelated TranslationsOther Translations
anställa detacheren; tewerkstellen; uitzenden aannemen; aantrekken; in dienst nemen; inhuren
engagera detacheren; tewerkstellen; uitzenden engageren; inviteren; uitnodigen; verbintenis aangaan
hyra detacheren; tewerkstellen; uitzenden aannemen; aantrekken; afhuren; charteren; huren; in dienst nemen; inhuren; pachten; verhuren
stråla ut rondstralen; uitstralen; uitzenden; zenden
strö rondstrooien; uitzaaien; uitzenden; verbreiden; verbreider; verdeler; verspreiden; verstrooien afdreggen; uitbaggeren
stänka rondstrooien; uitzaaien; uitzenden; verbreiden; verbreider; verdeler; verspreiden; verstrooien bespatten; bespetteren; besprenkelen; gieten; klateren; schenken; sprenkelen; uitstorten
sända rondstralen; uitstralen; uitzenden; zenden opsturen; posten; sturen; toezenden; versturen; verzenden; wegsturen; wegzenden; zenden
sätta i arbete detacheren; tewerkstellen; uitzenden
ta i tjänst detacheren; tewerkstellen; uitzenden
utströ rondstrooien; uitzaaien; uitzenden; verbreiden; verbreider; verdeler; verspreiden; verstrooien uitstrooien; uitzaaien

Related Definitions for "uitzenden":

  1. ergens naar toe sturen met een speciale opdracht1
    • hij is als arts uitgezonden naar China1
  2. via radio of televisie laten horen of zien1
    • de film wordt vanavond uitgezonden1

Wiktionary Translations for uitzenden:


Cross Translation:
FromToVia
uitzenden utsändning broadcast — a radio or TV transmission on air
uitzenden sända ut; utsända broadcast — to transmit a message or signal via radio waves or electronic means
uitzenden sända transmit — to send out a signal

Related Translations for uitzenden