Summary


Dutch

Detailed Translations for opfleuren from Dutch to English

opfleuren:

opfleuren verbe (fleur op, fleurt op, fleurde op, fleurden op, opgefleurd)

  1. opfleuren (fleurig maken)
    to brighten up; liven up
    to cheer up
    – cause (somebody) to feel happier or more cheerful 1
    • cheer up verbe (cheers up, cheered up, cheering up)
      • She tried to cheer up the disappointed child when he failed to win the spelling bee1
  2. opfleuren (opmonteren; blij maken; vrolijker worden; verkwikken)
    to cheer up
    – cause (somebody) to feel happier or more cheerful 1
    • cheer up verbe (cheers up, cheered up, cheering up)
      • She tried to cheer up the disappointed child when he failed to win the spelling bee1
    to comfort; to gladden
    • comfort verbe (comforts, comforted, comforting)
    • gladden verbe (gladdens, gladdened, gladdening)
  3. opfleuren (tot volle wasdom komen; tot bloei komen; ontplooien; opbloeien)
    to flourish; to prosper; to bloom
    • flourish verbe (flourishes, flourished, flourishing)
    • prosper verbe (prospers, prospered, prospering)
    • bloom verbe (blooms, bloomed, blooming)

Conjugations for opfleuren:

o.t.t.
  1. fleur op
  2. fleurt op
  3. fleurt op
  4. fleuren op
  5. fleuren op
  6. fleuren op
o.v.t.
  1. fleurde op
  2. fleurde op
  3. fleurde op
  4. fleurden op
  5. fleurden op
  6. fleurden op
v.t.t.
  1. ben opgefleurd
  2. bent opgefleurd
  3. is opgefleurd
  4. zijn opgefleurd
  5. zijn opgefleurd
  6. zijn opgefleurd
v.v.t.
  1. was opgefleurd
  2. was opgefleurd
  3. was opgefleurd
  4. waren opgefleurd
  5. waren opgefleurd
  6. waren opgefleurd
o.t.t.t.
  1. zal opfleuren
  2. zult opfleuren
  3. zal opfleuren
  4. zullen opfleuren
  5. zullen opfleuren
  6. zullen opfleuren
o.v.t.t.
  1. zou opfleuren
  2. zou opfleuren
  3. zou opfleuren
  4. zouden opfleuren
  5. zouden opfleuren
  6. zouden opfleuren
en verder
  1. heb opgefleurd
  2. hebt opgefleurd
  3. heeft opgefleurd
  4. hebben opgefleurd
  5. hebben opgefleurd
  6. hebben opgefleurd
diversen
  1. fleur op!
  2. fleurt op!
  3. opgefleurd
  4. opfleurend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for opfleuren:

NounRelated TranslationsOther Translations
comfort behaaglijkheid; bemoediging; comfort; gerief; geriefelijkheid; gerieflijkheid; opmontering; soelaas; troost; troosting; vertroosting
VerbRelated TranslationsOther Translations
bloom ontplooien; opbloeien; opfleuren; tot bloei komen; tot volle wasdom komen bloeien; floreren; goed lopen; ontgroeien; tot hoogconjunctuur komen
brighten up fleurig maken; opfleuren opvrolijken
cheer up blij maken; fleurig maken; opfleuren; opmonteren; verkwikken; vrolijker worden bemoedigen; opbeuren; opkikkeren; opknappen
comfort blij maken; opfleuren; opmonteren; verkwikken; vrolijker worden bemoedigen; ondersteunen; opbeuren; troosten; vertroosten
flourish ontplooien; opbloeien; opfleuren; tot bloei komen; tot volle wasdom komen bloeien; floreren; goed lopen; kroelen; kroezen; tot hoogconjunctuur komen
gladden blij maken; opfleuren; opmonteren; verkwikken; vrolijker worden blij maken; blijmaken; in verrukking brengen; plezieren; verblijden; verheugd; verheugen; verrukken
liven up fleurig maken; opfleuren
prosper ontplooien; opbloeien; opfleuren; tot bloei komen; tot volle wasdom komen bloeien; floreren; gedijen; goed lopen; tieren; tot hoogconjunctuur komen; wassen
ModifierRelated TranslationsOther Translations
brighten up opgehelderd; opgeklaard
cheer up komaan