Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. brabbelen:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for brabbelen from Dutch to French

brabbelen:

brabbelen verbe (brabbel, brabbelt, brabbelde, brabbelden, gebrabbeld)

  1. brabbelen (krompraten)
    baragouiner
    • baragouiner verbe (baragouine, baragouines, baragouinons, baragouinez, )

Conjugations for brabbelen:

o.t.t.
  1. brabbel
  2. brabbelt
  3. brabbelt
  4. brabbelen
  5. brabbelen
  6. brabbelen
o.v.t.
  1. brabbelde
  2. brabbelde
  3. brabbelde
  4. brabbelden
  5. brabbelden
  6. brabbelden
v.t.t.
  1. heb gebrabbeld
  2. hebt gebrabbeld
  3. heeft gebrabbeld
  4. hebben gebrabbeld
  5. hebben gebrabbeld
  6. hebben gebrabbeld
v.v.t.
  1. had gebrabbeld
  2. had gebrabbeld
  3. had gebrabbeld
  4. hadden gebrabbeld
  5. hadden gebrabbeld
  6. hadden gebrabbeld
o.t.t.t.
  1. zal brabbelen
  2. zult brabbelen
  3. zal brabbelen
  4. zullen brabbelen
  5. zullen brabbelen
  6. zullen brabbelen
o.v.t.t.
  1. zou brabbelen
  2. zou brabbelen
  3. zou brabbelen
  4. zouden brabbelen
  5. zouden brabbelen
  6. zouden brabbelen
diversen
  1. brabbel!
  2. brabbelt!
  3. gebrabbeld
  4. brabbelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for brabbelen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
baragouiner brabbelen; krompraten bazelen; kletspraat verkopen; lallen; lullen; morren; murmeren; ontevreden mompelen; wauwelen; zeveren; zwammen; zwetsen

Wiktionary Translations for brabbelen:


Cross Translation:
FromToVia
brabbelen galimatias; charabia; jargon babble — inarticulate speech
brabbelen jargonner; marmotter; marmonner babble — to utter words indistinctly