Dutch

Detailed Translations for ingeschakeld from Dutch to French

ingeschakeld:

ingeschakeld adj

  1. ingeschakeld (aangedaan; aangezet)

Translation Matrix for ingeschakeld:

ModifierRelated TranslationsOther Translations
mis en circuit aangedaan; aangezet; ingeschakeld
mis en marche aangedaan; aangezet; ingeschakeld

inschakelen:

inschakelen verbe (schakel in, schakelt in, schakelde in, schakelden in, ingeschakeld)

  1. inschakelen (aanzetten; aandoen; starten; aanmaken)
    allumer; mettre en marche; brancher sur; établir le contact; faire marcher; faire fonctionner; mettre en circuit
  2. inschakelen (aandoen; aandraaien)
    enclencher; mettre en marche; faire fonctionner; mettre en circuit
    • enclencher verbe (enclenche, enclenches, enclenchons, enclenchez, )
  3. inschakelen

Conjugations for inschakelen:

o.t.t.
  1. schakel in
  2. schakelt in
  3. schakelt in
  4. schakelen in
  5. schakelen in
  6. schakelen in
o.v.t.
  1. schakelde in
  2. schakelde in
  3. schakelde in
  4. schakelden in
  5. schakelden in
  6. schakelden in
v.t.t.
  1. heb ingeschakeld
  2. hebt ingeschakeld
  3. heeft ingeschakeld
  4. hebben ingeschakeld
  5. hebben ingeschakeld
  6. hebben ingeschakeld
v.v.t.
  1. had ingeschakeld
  2. had ingeschakeld
  3. had ingeschakeld
  4. hadden ingeschakeld
  5. hadden ingeschakeld
  6. hadden ingeschakeld
o.t.t.t.
  1. zal inschakelen
  2. zult inschakelen
  3. zal inschakelen
  4. zullen inschakelen
  5. zullen inschakelen
  6. zullen inschakelen
o.v.t.t.
  1. zou inschakelen
  2. zou inschakelen
  3. zou inschakelen
  4. zouden inschakelen
  5. zouden inschakelen
  6. zouden inschakelen
en verder
  1. ben ingeschakeld
  2. bent ingeschakeld
  3. is ingeschakeld
  4. zijn ingeschakeld
  5. zijn ingeschakeld
  6. zijn ingeschakeld
diversen
  1. schakel in!
  2. schakelt in!
  3. ingeschakeld
  4. inschakelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for inschakelen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
activer aanblazen; aanjagen; aanmoedigen; aansporen; aanstoken; aanvangen; aanvuren; aanwakkeren; aanzetten; aanzetten tot; accelereren; activeren; animeren; beginnen; bemoedigen; bespoedigen; bezielen; doen opvlammen; iemand motiveren; initiëren; instigeren; introduceren; kennis laten maken; motiveren; op gang brengen; opjutten; oppeppen; oppoken; opporren; opstoken; opwekken; poken; porren; prikkelen; provoceren; starten; stimuleren; stoken; toemoedigen; van start gaan; verhaasten; versnellen; voorstellen
allumer aandoen; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten aanmaken; aansteken; aanstoken; aanstrijken; aanwakkeren; aanzetten; doen branden; doen ontvlammen; in de fik steken; licht aansteken; ontbranden; ontsteken; ontvlammen; opfokken; ophitsen; opjutten; opruien; opstoken; opwekken; opwinden; poken; prikkelen; stimuleren; vuur maken; vuur vatten; vuurmaken
brancher sur aandoen; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten aansluiten; bijvoegen
enclencher aandoen; aandraaien; inschakelen
faire fonctionner aandoen; aandraaien; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten
faire marcher aandoen; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten beetnemen; handelen; in het ootje nemen; leven; manipuleren; opereren; optreden; procederen; te werk gaan; voortbewegen; werken
mettre en circuit aandoen; aandraaien; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten
mettre en marche aandoen; aandraaien; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten aanbreken; aandrijven; aangaan; aankaarten; aanknopen; aanslingeren; aansnijden; aansporen; aanvangen; aanzwengelen; beginnen; een begin nemen; entameren; gesprek aanknopen; handelen; in werking stellen; inluiden; leven; manipuleren; ondernemen; openen; opereren; opkrikken; opstarten; optreden; opwekken; opwerpen; prikkelen; procederen; starten; stimuleren; te berde brengen; te werk gaan; ter sprake brengen; van start gaan; werken
établir le contact aandoen; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
activer inschakelen

Wiktionary Translations for inschakelen:

inschakelen
verb
  1. enflammer ; mettre le feu à.
  2. Se percher sur les branches d’un arbre.
  3. Faire un don ; transférer, sans rétribution, la propriété d’une chose que l’on posséder ou dont on jouir, à une autre personne.
  4. Faire que ce qui clore, fermer, ne le être plus.
  5. Traductions à trier suivant le sens

Cross Translation:
FromToVia
inschakelen actionner; allumer activate — to turn on
inschakelen autoriser; activer enable — to make able
inschakelen allumer switch on — to turn a switch to the "on" position