Dutch

Detailed Translations for omslaan from Dutch to French

omslaan:

omslaan verbe (sla om, slaat om, sloeg om, sloegen om, omgeslagen)

  1. omslaan (ombladeren; omkeren)
    feuilleter
    • feuilleter verbe (feuillette, feuillettes, feuilletons, feuilletez, )
  2. omslaan (iemand neerslaan; vloeren)
  3. omslaan (neerslaan; onderuithalen; vloeren)
    abattre; flanquer par terre; faire tomber
    • abattre verbe (abbats, abbat, abbattons, abbattez, )
    • faire tomber verbe
  4. omslaan (om het lijf slaan)
  5. omslaan (plotseling veranderen)

Conjugations for omslaan:

o.t.t.
  1. sla om
  2. slaat om
  3. slaat om
  4. slaan om
  5. slaan om
  6. slaan om
o.v.t.
  1. sloeg om
  2. sloeg om
  3. sloeg om
  4. sloegen om
  5. sloegen om
  6. sloegen om
v.t.t.
  1. heb omgeslagen
  2. hebt omgeslagen
  3. heeft omgeslagen
  4. hebben omgeslagen
  5. hebben omgeslagen
  6. hebben omgeslagen
v.v.t.
  1. had omgeslagen
  2. had omgeslagen
  3. had omgeslagen
  4. hadden omgeslagen
  5. hadden omgeslagen
  6. hadden omgeslagen
o.t.t.t.
  1. zal omslaan
  2. zult omslaan
  3. zal omslaan
  4. zullen omslaan
  5. zullen omslaan
  6. zullen omslaan
o.v.t.t.
  1. zou omslaan
  2. zou omslaan
  3. zou omslaan
  4. zouden omslaan
  5. zouden omslaan
  6. zouden omslaan
en verder
  1. ben omgeslagen
  2. bent omgeslagen
  3. is omgeslagen
  4. zijn omgeslagen
  5. zijn omgeslagen
  6. zijn omgeslagen
diversen
  1. sla om!
  2. slat om!
  3. omgeslagen
  4. omslaand
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for omslaan:

VerbRelated TranslationsOther Translations
abattre neerslaan; omslaan; onderuithalen; vloeren aan stukken breken; afbreken; afhakken; afhouwen; afkappen; afmaken; bomen kappen; breken; deprimeren; doden; doodmaken; doodschieten; doodslaan; doodvonnis uitvoeren; executeren; hakken; houwen; kappen; liquideren; neerhalen; neersabelen; neerschieten; om het leven brengen; omblazen; ombrengen; omhakken; omhouwen; omverhalen; omverwaaien; omwaaien; overhoopschieten; schieten op; slachten; slopen; stukbreken; uit elkaar halen; van kant maken; vellen; vermoorden; wegbreken
abattre qn iemand neerslaan; omslaan; vloeren
basculer qn iemand neerslaan; omslaan; vloeren
changer brusquement omslaan; plotseling veranderen
culbuter qn iemand neerslaan; omslaan; vloeren
faire tomber iemand neerslaan; neerslaan; omslaan; onderuithalen; vloeren omduwen; omspringen; omstoten; omverrukken; omverspringen; omverstoten; omvertrekken; ten val brengen; wippen
feuilleter ombladeren; omkeren; omslaan bladeren; doorbladeren; korsten
flanquer par terre neerslaan; omslaan; onderuithalen; vloeren naar beneden werpen; neerwerpen; omlaag werpen
jeter sur les épaules om het lijf slaan; omslaan
mettre sur les épaules om het lijf slaan; omslaan
rabattre qn iemand neerslaan; omslaan; vloeren

Wiktionary Translations for omslaan:


Cross Translation:
FromToVia
omslaan renverser; retourner; capoter overturn — to turn over, capsize

Related Translations for omslaan