Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for declinar from Spanish to Dutch

declinar:

declinar verbe

  1. declinar (rechazar)
    wegsturen; afwimpelen; afschepen
    • wegsturen verbe (stuur weg, stuurt weg, stuurde weg, stuurden weg, weggestuurd)
    • afwimpelen verbe (wimpel af, wimpelt af, wimpelde af, wimpelden af, afgewimpeld)
    • afschepen verbe (scheep af, scheept af, scheepte af, scheepten af, afgescheept)
  2. declinar (rechazar; repeler; desconocer; )
    afwijzen; verwerpen; afkeuren; afstemmen
    • afwijzen verbe (wijs af, wijst af, wees af, wezen af, afgewezen)
    • verwerpen verbe (verwerp, verwerpt, verwierp, verwierpen, verworpen)
    • afkeuren verbe (keur af, keurt af, keurde af, keurden af, afgekeurd)
    • afstemmen verbe (stem af, stemt af, stemde af, stemden af, afgestemd)
  3. declinar (pasar; expirar; transcurrir; avanzar)
    voorbijgaan; verstrijken; verlopen; vervallen; vergaan; aflopen
    • voorbijgaan verbe (ga voorbij, gaat voorbij, ging voorbij, gingen voorbij, voorbij gegaan)
    • verstrijken verbe (verstrijk, verstrijkt, verstreek, verstreken, verstreken)
    • verlopen verbe (verloop, verloopt, verliep, verliepen, verlopen)
    • vervallen verbe (verval, vervalt, verviel, vervielen, vervallen)
    • vergaan verbe (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • aflopen verbe (loop af, loopt af, liep af, liepen af, afgelopen)
  4. declinar (inclinarse)
    vervallen; aflopen; glooien; flauw hellend aflopend
  5. declinar (fliparse; fracasar; derrumbar; )
    begeven; flippen
    • begeven verbe (begeef, begeeft, begaf, begaven, begeven)
    • flippen verbe (flip, flipt, flipte, flipten, geflipt)
  6. declinar (cascar; conjugar; hacer recortes; flectar la cabeza)
    declineren; vervoegen; verbuigen
    • declineren verbe (declineer, declineert, declineerde, declineerden, gedeclineerd)
    • vervoegen verbe (vervoeg, vervoegt, vervoegde, vervoegden, vervoegd)
    • verbuigen verbe (verbuig, verbuigt, verboog, verbogen, verbogen)
  7. declinar (decaer; caducar; hundirse; )
    vergaan; vervallen; verkommeren
    • vergaan verbe (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • vervallen verbe (verval, vervalt, verviel, vervielen, vervallen)
    • verkommeren verbe (verkommer, verkommert, verkommerde, verkommerden, verkommerd)

Conjugations for declinar:

presente
  1. declino
  2. declinas
  3. declina
  4. declinamos
  5. declináis
  6. declinan
imperfecto
  1. declinaba
  2. declinabas
  3. declinaba
  4. declinábamos
  5. declinabais
  6. declinaban
indefinido
  1. decliné
  2. declinaste
  3. declinó
  4. declinamos
  5. declinasteis
  6. declinaron
fut. de ind.
  1. declinaré
  2. declinarás
  3. declinará
  4. declinaremos
  5. declinaréis
  6. declinarán
condic.
  1. declinaría
  2. declinarías
  3. declinaría
  4. declinaríamos
  5. declinaríais
  6. declinarían
pres. de subj.
  1. que decline
  2. que declines
  3. que decline
  4. que declinemos
  5. que declinéis
  6. que declinen
imp. de subj.
  1. que declinara
  2. que declinaras
  3. que declinara
  4. que declináramos
  5. que declinarais
  6. que declinaran
miscelánea
  1. ¡declina!
  2. ¡declinad!
  3. ¡no declines!
  4. ¡no declinéis!
  5. declinado
  6. declinando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "declinar":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads